Hollands welvarenEpco Ongering

Hollands welvaren

Afgelopen editie van het Botentekoop magazine was gewijd aan de Nederlandse jachtbouw en aan de reputatie die we daarin hebben opgebouwd. Door onze scheepsbouw werden we een welvarend land. Daarom spreken we graag over de Dutch Heritage en over Hollands Welvaren.

Als je aan buitenlanders vraagt wat kenmerkend is voor Nederland, geven ze steevast als antwoord: klompen, kaas en tulpen. Amerikanen voegen er graag aan toe: Hans Brinkers, met zijn vinger in de dijk. Als je dan opmerkt dat we dat verhaal in Nederland nauwelijks kennen, krijg je een stomverbaasd gezicht. Nederland is voor hen een landje dat gered is door een klein jongetje, dat ontdekte dat een dijk lek was en de lekkage stopte door zijn vinger in het gat te steken. Gelukkig kunnen we om dat sprookje lachen en kent de wereld ons vooral als land waar de mooiste en de beste boten vandaan komen.

Tsaar Peter

Eeuwenlang al staan de Lage landen bekend als het Mekka voor bootliefhebbers. In 1697 en 1719 bezocht Tsaar Peter de Grote van Rusland Amsterdam en de Zaanstreek om de laatste bootbouwtechnieken van de 17e en 18e Eeuw te leren kennen. In die tijd hadden we de reputatie als de beste botenbouwers ter wereld. De aanleiding was minder aardig. Rusland had een zwakke marine en wilde aartsvijand Zweden, dat op zee veel sterker was, met snelle en wendbare oorlogsschepen aftroeven. Met nieuw verworven kennis hoopte Peter de Grote zijn vijanden te snel af te zijn. Zijn reis werd echter een teleurstelling. De Nederlandse ambachtslieden hadden vrijwel niets op papier staan en werkten meestal op het oog. Door undercover op een werf te werken leerde hij toch wat kneepjes van het vak. Ook kon hij na zijn Hollandse periode horlogemaken, sectie verrichten en doodskisten timmeren, op zee allemaal nuttige bezigheden. De tsaar sprak Nederlands en overwoog zelfs om het Nederlands in Rusland als tweede taal in te voeren. Zo ver kwam het niet, maar het tekent de invloed van de Lage landen bij een wereldmacht als Rusland.

Tsjaar Peter de Grote.

Zeemansbestaan

Ondernemende Hollanders reisden vaak en ver over zee. Ondanks dat de schepen afhankelijk waren van wind uit een gunstige hoek, vertrok bijna elke maand wel een schip naar Nederlands Indië, het huidige Indonesië. Het leven op de schepen was zwaar, maar de zeelieden stonden hun mannetje. Zij konden zeilen als de beste en waren niet bevreesd voor stormen, piraten, scheurbuik of andere bedreigingen van het zeemansbestaan. De schepen werden gaandeweg stabieler, sneller, wendbaarder en beter bestand tegen extreem weer.

Sail Amsterdam 2005.

Hendrik de Zeevaarder

Een nieuwe fase brak aan toen zeilen niet meer het exclusieve domein van marine en commercie werd. Al in de 16e Eeuw werden in ons land naast handels- en oorlogsschepen ook al speeljachtjes gebouwd, maar die werden uitsluitend door de allerhoogste elite gebruikt. In 1846 was het Prins Hendrik de Zeevaarder, die inzag dat zeilen ook een leuk tijdverdrijf voor vredelievende burgers kon zijn. Hij stichtte in Rotterdam de eerste watersportvereniging, de Koninklijke Nederlandsche Yacht Club. Vanaf dat moment ontdekten steeds meer Nederlanders het plezier in het varen. Het gevolg was dat er veel nieuwe boten werden ontworpen en gebouwd. Aanvankelijk waren dat alleen zeiljachten in Nederlandse klassen, zoals de Regenboog, de 30m2 en de door de Friese kapper Bulthuis ontworpen 16m2.

Gemotoriseerd varen

Mede onder invloed van bioscoopfilms werden elegante Amerikaanse en Italiaanse gemotoriseerde boten populair. In ons land was niet veel plek om hard te varen en het ‘shinen’ met je boot zat niet zo in onze aard. Vandaar dat er een aantal puur Nederlandse boottypen ontstond, zoals het stalen knikspant of rondspant motorjacht, de sloep, de tender en het vaarhuis, allemaal boottypes die je buiten onze landsgrenzen nauwelijks tegen zult komen. In ons land genieten we volop van de Doerak, de Super Van Craft, de Van Wijk, of de Waterspoor, om maar een paar van deze puur Hollandse merken te noemen.

Luxe tender.

Poldertraditie

Door de korte afstanden in ons land konden in het midden van de twintigste eeuw een aantal samenwerkingsverbanden van werven ontstaan die hun bootbouwkennis bundelden. Samenwerkend konden ze jachten van uitzonderlijke kwaliteit bouwen. Uit die ‘poldertraditie’ ontstond de bloeiende superjacht industrie. Op dit moment telt ons land ongeveer 10 bloeiende superjachtwerven en is daardoor een van de belangrijkste spelers in de wereldmarkt. Kenners zeggen dat we hier misschien niet de allergrootste jachten bouwen, maar wel de meest bijzondere en technisch meest geavanceerde superjachten. Door de toegenomen welvaart en de veranderde mentaliteit mag je tegenwoordig gewoon trots zijn op je boot. Vandaar dat elegante merken als Wajer en Saffier op populariteit binnen en buiten onze landsgrenzen kunnen rekenen.

Democratisch

Toch hebben we ook een enorme vloot aan minder kostbare plezierjachten en speelbootjes. Het Hollandse welvaren is tamelijk democratisch, want je hoeft beslist geen miljonair te zijn om een boot te kunnen bezitten en te onderhouden. Wat Nederlanders bindt is hun ambivalente relatie met het water. Aan de ene kant strijd tegen natuurrampen en overstromingen en aan de andere kant de liefde voor het water. Door de inpoldering en de bedijking hebben we ons land groter en veilig gemaakt en door bootjes werd het pas echt leuk. En dat is iets waar we als klein land oprecht trots op kunnen zijn.

Daar zit muziek in. Reinier Sijpkens op zijn muziekboot de Notendop.

Geef een reactie